|
|
 |
 |

NIEUWSBRIEF DECEMBER 2002
-- WET VAN 2 AUGUSTUS 2002: BESTRIJDT DE BETALINGSACHTERSTAND BIJ HANDELSTRANSACTIES
-- BESPREKING VAN DE WET VAN 2 AUGUSTUS 2002
NIEUWSBRIEF JANUARI 2003
-- OUTPLACEMENT VERPLICHT ?
WET VAN 2 AUGUSTUS 2002: BESTRIJDT DE BETALINGSACHTERSTAND BIJ HANDELSTRANSACTIES
Deze wet zet een Europese richtlijn van 29 juni 2000 (2000/35/EG) om die tot doel heeft de betalingsachterstand bij handelstransacties in te dijken.
De wet van 2 augustus 2002 bevat een aantal innovaties, te weten de invoering van
een uniforme betalingstermijn, een hogere moratoire intrestvoet en de mogelijkheid van schadeloosstelling voor de invorderingskosten.
Hoewel deze wet enerzijds de contractvrijheid als uitgangsprincipe behoudt, voert zij anderzijds een nieuw criterium in, namelijk dat van de "kennelijke onbillijkheid".
De voornaamste redenen om de richtlijn te creëren waren de volgende :
- de betalingsachterstand is schadelijk voor de ondernemingen, de eigen insolventie van de kleine en middelgrote ondernemingen is vaak te wijten aan de betalingsachterstand van hun eigen schuldenaars
- de grote verschillen tussen de E.U.-lidstaten wat betalingstermijnen en betalingsachterstand betreft
- de lange betalingstermijnen bij overheidsopdrachten
Deze wet is voor heel wat ondernemingen dus de ideale gelegenheid om ook de eigen verkoops- of leveringsvoorwaarden eens grondig na te kijken.
De wet van 2 augustus 2002 kent vier belangrijke innovaties :
- er is een uniforme betalingstermijn van dertig dagen ingevoerd
- voor het vervallen van de interest dient de schuldeiser geen ingebrekestelling meer te versturen
- de intrestvoet van de moratoire interest is in belangrijke mate opgetrokken
- de wettelijke mogelijkheid wordt ingevoerd om in het algemeen de invorderingskosten te recupereren
Top
BESPREKING VAN DE WET VAN 2 AUGUSTUS 2002
- TOEPASSINGSDOMEIN VAN DE WET
- Ratione personae
De wet van 2 augustus 2002 is van toepassing op handelstransacties.
Er kunnen twee soorten handelstransacties weerhouden worden, te weten de transacties tussen ondernemingen en de transacties tussen ondernemingen en aanbestedende overheden of diensten die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding.
Begrip onderneming
Het begrip "onderneming" wordt zeer ruim omschreven in artikel 2 van de wet, te weten als "elke organisatie die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook wanneer deze door slechts één persoon wordt uitgeoefend".
Begrip handelstransactie
Uit deze ruime omschrijving dient te worden afgeleid dat niet alleen de transacties tussen kooplieden worden geviseerd, doch ook betrekking heeft op vrije beroepen, ambachtslieden en landbouwondernemingen.
Aldus valt ELKE handelstransactie tussen twee partijen die handelen in het kader van hun PROFESSIONELE werkzaamheden onder het begrip handelstransactie valt en aldus onder de toepassing van de wet van 2 augustus 2002.
Er dient dus niet meer nagegaan te worden of het een daad van koophandel uitmaakt, nu deze nieuwe wet een ruimere draagwijdte geeft aan het begrip handelstransactie.
De wet is dus niet van toepassing indien een of beide partijen handelen buiten de uitoefening van hun professionele werkzaamheden
Opmerking : alle relevante definities zijn terug te vinden in artikel 2 van de wet van 2 augustus 2002
Mogelijke combinaties :
De wet is van toepassing op handelstransacties tussen :
- privaatrechtelijke ondernemingen
- een privaatrechtelijke onderneming en een overheidsinstantie
De wet vindt géén toepassing bij handelstransacties tussen :
- twee overheidsinstanties onderling
- Ratione materiae
Deze wet is uitsluitend van toepassing op betalingen tot vergoeding van handelstransacties, zijnde alle transacties die leiden tot het leveren van goederen (roerende en onroerende) of het verrichten van diensten tegen vergoeding.
Bij wijze van voorbeeld : een betalingsverplichting die voortvloeit uit een koop, huur, aanneming, leasing, … vallen allen onder de nieuwe wet, terwijl schadeloosstellingen betaald door de verzekeringsmaatschappijen en de schadevergoeding wegens verborgen gebreken er niet onder vallen.
- DE BIJZONDERE BEPALINGEN
- Betalingstermijn van dertig dagen
In artikel 4 van de wet wordt een uniforme betalingstermijn van dertig dagen geformuleerd.
Deze is van toepassing behalve wanneer de partijen anders zijn overeengekomen.
Vertrekpunt van deze betalingstermijn : 3 mogelijkheden :
- de dag volgend op de ontvangst door de schuldenaar van de factuur of een gelijkwaardig verzoek tot betaling
- de dag volgend op de ontvangst van de goederen of de diensten (indien de datum van ontvangst van de factuur of het verzoek tot betaling niet vast staat of indien de schuldenaar de factuur of verzoek ontvangt voor hij de goederen of diensten ontvangt)
- de dag volgend op die van de aanvaarding of de controle (indien een procedure van aanvaarding of controle voorzien werd)
- Afschaffing van vereiste van ingebrekestelling
Artikel 5 van de wet stelt dat indien de schuldenaar niet betaalt binnen de dertig dagen of de overeen gekomen betalingstermijn, dan zijn de daaropvolgende dag van rechtswege en zonder ingebrekestelling intersten verschuldigd.
Er dient evenwel benadrukt te worden dat enkel de moratoire intrest intreedt zonder ingebrekestelling.
Voor de andere gevolgen, waaronder de mogelijkheid van dwanguitvoering, het inroepen van een schadebeding en het verleggen van het risico van muntdevaluatie naar de schuldenaar blijft de ingebrekestelling noodzakelijk.
De richtlijn koppelde tevens twee duidelijke voorwaarden aan het automatisch intreden van de moratoire intrest, te weten enerzijds het feit dat de schuldeiser zelf zijn wettelijke en contractuele verplichtingen is nagekomen en anderzijds het feit dat hij het verschuldigde bedrag niet op tijd heeft ontvangen.
- De omvang van de moratoire intresten
Artikel 5 van de wet stelt tegelijkertijd welke intrestvoet dient toegepast te worden op de achterstallige betaling. Hiervoor verwijst de wet naar de "referentie-intrestvoet", te weten de intrestvoet die door de Europese Centrale Bank wordt toegepast voor basisherfinancieringstransacties. Deze referentie-intrestvoet dient vervolgens vermeerder te worden met zeven procentpunten en afgerond te worden tot het hogere halve procentpunt.
Meer concreet betekent dit 3,25 % (Europese Centrale Bank) + 7 % + afgerond naar het hogere halve procentpunt = 10,50 %
Wijzigingen worden mede gedeeld in het Belgisch Staatsblad.
Aangezien deze wet aan partijen de ruimte laat om zelf overeen te komen over de verschuldigde intresten bij laattijdige betaling zullen er twee soorten intresten naast elkaar bestaan, enerzijds de wettelijke moratoire intrest en anderzijds de conventionele moratoire intrest.
- Schadeloosstelling voor de invorderingskosten
Naast de hoofdsom en de intresten kunnen volgens artikel 6 van de wet ook de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten van invordering gerecupereerd worden.
Opdat de schuldeiser niet zou worden afgeschrikt door te hoge inningskosten voorzag de wetgever in een schadeloosstelling voor deze kosten.
In de parlementaire voorbereiding wordt expliciet verwezen naar kosten zoals kosten van aanmaningen en administratieve kosten.
Er is een bijzondere regeling voorzien voor het geval de schuldenaar ondertussen failliet zou worden verklaard, te weten dat dan enkel de kosten die op gerechtelijk gezag gemaakt zijn en die nuttig zijn bevoorrecht zijn als kosten van uitwinning (zie artikel 17 en 19, 1° Hyp. W.)
Voor alle duidelijkheid, niet alle invorderingskosten kunnen gerecupereerd worden, d.w.z. verhaald worden op de schuldenaar, enkel een "redelijke" schadeloosstelling komt in aanmerking.
Voor de toepassing van dit "redelijkheidscriterium" dient rekening te worden gehouden met enkele concrete factoren zoals onder meer de omvang van de schuldvordering, de al dan niet betwiste vordering van de schuld, de houding van de schuldeiser, de houding van de schuldenaar, de zekerheidspositie van de schuldeiser en dergelijke meer.
De wetgever heeft de mogelijkheid voorzien om voor elk niveau van schuld en dit op grond van de omvang ervan, een maximumbedrag vast te leggen.
De mogelijkheid om dit bedrag concreet in te vullen is voorbehouden aan de Koning, die daar tot op heden nog geen gebruik van maakte.
De partijen kunnen echter nog steeds de omvang van het schadebeding vrij overeen komen, doch kennelijk onbillijke bedingen betreffende de invorderingskosten kunnen herzien worden door de rechter.
Om na te gaan of de kosten van erelonen van de advocaat ook tot de vergoedbare kosten behoren, dienen de parlementaire voorbereidingen geraadpleegd te worden.
Hieruit blijkt dat het opnieuw aan de rechter toekomt om hierover te oordelen.
Om de kosten en erelonen van de advocaat te kunnen verhalen op de schuldenaar dient de rechter na te gaan of deze kosten te wijten zijn aan de betalingsachterstand, relevant en transparant zijn en in verhouding staan tot de omvang van de schuldvordering.
Enerzijds voorziet artikel 6 in het algemeen een schadeloosstelling voor alle relevante invorderingskosten, doch anderzijds is het zo dat het recupereren van de kosten en erelonen van de advocaat een afwijking zou vormen ten opzicht van de huidige situatie.
Om deze reden lijkt het volgende criterium door de rechtsleer gehanteerd te worden : enkel indien tenuitvoerlegging van de schuldvordering in het gedrang zou komen indien de kosten en erelonen van de advocaat ten laste zouden blijven van de schuldeiser, kunnen deze worden opgenomen in de redelijke schadeloosstelling.
Om te verhinderen dat de schuldeiser aanspraak zou maken op een dubbele vergoeding bepaalt artikel 6, 1e lid, in fine dat de toekenning van een redelijke schadeloosstelling aan de schuldeiser uitsluit dat deze ook nog eens beroep doet op een rechtsplegingsvergoeding.
Dit schept echter een ongelijkheid tussen de schuldeisers van de betaling van een handelstransactie en schuldeisers van een niet - handelstransactie, nu deze eerste een redelijke schadeloosstelling kan recupereren, terwijl de tweede zich tevreden moet stellen met een rechtsplegingsvergoeding, die meestal niet tegemoet komt aan de werkelijke kosten.
- AFWIJKENDE BEDINGEN
- De herzieningsbevoegdheid voor de rechter
De regeling waarin de wet van 2 augustus 2002 voorziet is van aanvullend recht, wat betekent dat het principe van de contractvrijheid als uitgangspunt behouden blijft.
Partijen kunnen aldus vrij overeenkomen.
Deze contractsvrijheid is echter niet onbegrensd, nu de richtlijn net het misbruik van de contractsvrijheid ten nadele van de schuldeiser wil verbieden.
De Belgische wetgever realiseert deze doelstelling door aan de rechter de bevoegdheid te verlenen afwijkende bedingen op verzoek van de schuldeiser te herzien indien zij een kennelijke onbillijkheid jegens de schuldeiser inhouden.
Deze herzieningsbevoegdheid van de rechter geldt zowel voor de afwijkende bedingen betreffende de betalingstermijn, als deze betreffende de moratoire intresten, als deze betreffende de invorderingskosten.
Hier zette de Belgische wetgever de richtlijn ruimer om, nu de richtlijn de herzieningsbevoegdheid voor de invorderingskosten niet voorziet.
- Invulling van het criterium van de kennelijke onbillijkheid
Ondanks het feit dat dit een volledig nieuw criterium is, laat de wetgever de invulling ervan over aan de rechtspraak en de rechtsleer.
Artikel 7 van de wet bevat echter een aantal aanwijzingen :
- de goede handelspraktijken
- de aard van het product of de dient
- objectieve redenen bij de schuldenaar om af te wijken van de wettelijke regeling (vb. de schuldenaar kon niet onmiddellijk fondsen vrijmaken doordat zijn eigen schuldenaars over een langere betalingstermijn beschikken)
- Kenmerken van de herzieningsbevoegdheid
Eerste kenmerk van de herzieningsbevoegdheid van de rechter is dat het een marginale toetsingsbevoegdheid betreft.
De rechter zal dus enkel kunnen ingrijpen indien de grenzen van de billijkheid manifest worden overschreden.
Bovendien kan de rechter de schuldeiser niet meer rechten verlenen dan voorzien in de wettelijke regeling.
Voorbeeld : de rechter kan oordelen dat een beding dat voorziet in een betalingstermijn van 60 dagen kennelijk onbillijk is, hij mag dit beding dan herzien doch kan geen betalingstermijn opleggen die minder bedraagt dan 30 dagen.
Een tweede kenmerk bestaat erin dat de herziening door de rechter gebeurt op verzoek van de schuldeiser.
Uit dit kenmerk mag afgeleid worden dat de rechter niet ambtshalve tot herziening mag overgaan
Artikel 7 in fine van de wet geeft het derde en laatste kenmerk van de herzieningsbevoegdheid, te weten dat het van dwingend recht is.
Elk beding in de overeenkomst dat tot doel heeft de herzieningsbevoegdheid van de rechter uit te sluiten of te wijzigen, wordt voor niet geschreven gehouden.
- VORDERING TOT STAKING
De artikelen 8 tot en met 11 van de wet regelen de vordering tot staking.
Het instellen van een vordering tot staking heeft tot doel enerzijds het bestaan vast te stellen en anderzijds de staking te doen bevelen van het gebruik van bedingen die een kennelijke onbillijkheid behelzen.
De vordering tot staking kan ingesteld worden voor alle bedingen die een kennelijke onbillijkheid teweeg brengen.
Hier dient in herinnering gebracht te worden dat de Belgische wetgever verder is gegaan dan de richtlijn en dit door ook de mogelijkheid tot het instellen van een stakingsvordering betreffende het beding voor de invorderingskosten. Daar waar de richtlijn dit enkel voorziet voor de bedingen aangaande de betalingstermijn en de intresten.
De bevoegdheid om een vordering tot staking in te stellen komt toe aan de volgende groepen :
- belanghebbenden
- de bevoegde minister
- en de beroepsregulerende overheid of een beroepsvereniging of een interprofessionele vereniging met rechtspersoonlijkheid
De voorzitter van de Rechtbank van Koophandel is bevoegd indien de schuldenaar een handelaar is, terwijl de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg bevoegd is wanneer de schuldenaar geen handelaar is doch handelt in het raam van zijn professionele activiteiten.
De vordering kan ingesteld worden bij verzoekschrift op tegenspraak en de zaak zal behandeld worden zoals in kort geding.
Het tussen te komen vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, spijts elk verhaal en zonder borgtocht.
- INWERKINGTREDING VAN DE WET
De wet is in werking getreden op 7 augustus 2002, dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad werd bekend gemaakt.
Concreet betekent dit dat de wet van 2 augustus 2002 van toepassing is op alle overeenkomsten die na 7 augustus 2002 zijn tot stand gekomen, vernieuwd of verlengd werden.
De overeenkomsten van voor die datum ontsnappen geenszins aan de nieuwe wet, nu vanaf 7 augustus 2004 de wet van toepassing zal zijn op alle overeenkomsten, dus ook diegenen die gesloten zijn voor 8 augustus 2002.
- VERGELIJKING TUSSEN VROEGERE SITUATIE EN HUIDIGE SITUATIE VOOR ALGEMENE VOORWAARDEN OP FACTUUR
- Betalingstermijn
Vroegere situatie : zoals voorzien in de algemene voorwaarden op factuur
Huidige situatie : zoals voorzien in de algemene voorwaarden op factuur
En indien dit beding kennelijk onbillijk is kan de schuldeiser aan de rechter vragen zijn herzieningsbevoegdheid toe te passen, waarbij de rechter dan geen betalingstermijn van minder dan 30 dagen kan toekennen
- Ingebrekestelling
Vroegere situatie : de moratoire intresten beginnen te lopen vanaf de ingebrekestelling
Huidige situatie : de moratoire intresten beginnen van rechtswege te lopen vanaf de dag volgend op de overeengekomen betalingstermijn of indien geen termijn werd overeengekomen vanaf de dag volgend op de 30 dagen betalingstermijn
- Intresten
Vroegere situatie : zoals voorzien in de algemene voorwaarden op factuur, waarbij de rechter over een matigingsbevoegdheid beschikt, te weten dat de rechter de intresten kan herleiden
Huidige situatie : zoals voorzien in de algemene voorwaarden op factuur
En indien dit beding kennelijk onbillijk is kan de schuldeiser aan de rechter vragen zijn herzieningsbevoegdheid toe te passen, waarbij de rechter dan gebonden is aan de grens van 10,5 % zoals voorzien in de wet.
Concreet voorbeeld : indien de intresten hoger zijn dan 10,5 % kan de rechter ze herleiden, zoals dat vroeger reeds het geval was en indien de intresten lager zijn dan 10,5 % kan de schuldeiser vragen dat de rechter ze op grond van de kennelijke onbillijkheid herzien, doch niet hoger optrekken dan 10,5 %
- Invorderingskosten / schadebeding
Vroegere situatie : zoals voorzien in de algemene voorwaarden op factuur
Huidige situatie : alle redelijke kosten van invordering, waarbij rekening dient gehouden te worden met de maximumgrens die nog dient vastgelegd te worden in het KB
- "VERGETEN BEPALINGEN"
- Eigendomsvoorbehoud
De wet van 2 augustus 2002 bevat geen bepalingen betreffende het eigendomsvoorbehoud, terwijl artikel 4 van de richtlijn bepaalt dat "de lidstaten ervoor zorgen, in overeenstemming met de nationale bepalingen die ingevolge het internationaal privaatrecht van toepassing zijn, dat de verkoper eigenaar blijft van de goederen totdat de prijs volledig is betaald, wanneer tussen koper en verkoper voor de levering van de goederen uitdrukkelijk een beding van eigendomsvoorbehoud is overeen gekomen".
De Belgische wetgever heeft het niet nodig geacht deze bepaling van eigendomsvoorbehoud om te zetten, nu het Belgische recht reeds voldoet aan deze vereiste (artikel 101 Faill.W.) en de richtlijn immers expliciet verwijst naar het interne recht.
Wat vooral van belang is is dat er voor het eerst op Europees niveau een definitie van eigendomsvoorbehoud wordt gegeven, te weten "een contractuele afspraak volgens dewelke de verkoper eigenaar blijft van de goederen in kwestie totdat de prijs volledig is betaald".
- Uitvoerbare titel
Volgens de richtlijn moet het in elke lidstaat mogelijk zijn om een uitvoerbare titel te bekomen binnen een termijn van negentig dagen.
De wetgever heeft geoordeeld dat daaraan in de Belgische wetgeving voldaan is.
De richtlijnbepaling heeft immers enkel betrekking op niet-betwiste schuldvorderingen.
Voor zulke schuldvorderingen verwijst de Belgische wetgever naar de procedure van summiere rechtspleging, hetzij artikelen 1338 - 1344 Ger.W. en naar de behandeling ervan op de inleidingszitting door de vraag naar korte debatten, hetzij artikel 735 Ger.W.
- CONCLUSIE
De wet van 2 augustus 2002 kent vier belangrijke innovaties :
- er is een uniforme betalingstermijn van dertig dagen ingevoerd
- voor het vervallen van de interest dient de schuldeiser geen ingebrekestelling meer te versturen
- de intrestvoet van de moratoire interest is in belangrijke mate opgetrokken
- de wettelijke mogelijkheid wordt ingevoerd om in het algemeen de invorderingskosten te recupereren
Hoewel de Belgische wetgever er goed had aangedaan deze wetsbepalingen rechtstreeks in de bestaande wetgeving te incorporeren, verdient hij niettemin een pluim voor de tijdige omzetting van de richtlijn, wat in het verleden niet altijd het geval is geweest.
Top
OUTPLACEMENT VERPLICHT ?
Sinds 15 september 2002 zijn werkgevers die "oudere" werknemers - in arbeidsrechtelijke terminologie 45 jarigen en 45- plussers - ontslaan, verplicht aan hun gewezen werknemers die er om vragen, de mogelijkheid geven te genieten van een "outplacement" begeleiding.
Het gaat zowel om ontslag met betekening van een opzegtermijn als bij ontslag mits het uitbetalen van een opzegvergoeding. In geval van ontslag om dringende reden of bij (brug)persioen geldt de maatregel niet.
Deze reglementering geldt voor werknemers - minstens één jaar in dienst - waarvan het ontslag niet eerder dan 15 september 2002 betekend werd en die vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités..
Deze wettelijke verplichting vloeit voort uit de collectieve arbeidsovereenkomst nr 82 van 10 juli 2002 afgesloten in de Nationale arbeidsraad ter uitvoering van de wet van 5 september 2001 tot verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers.
De maatregel zou tot doel hebben het ontslag van oudere werknemers af te remmen en indien dit ontslag toch ondervermijdelijk is, deze werknemers optimale kansen te bieden om opnieuw een job te vinden.
Onder outplacement wordt verstaan "een geheel van begeleidende diensten en adviezen die verleend worden om een werknemer in staat te stellen zelf binnen een zo kort mogelijk termijn een betrekking bij een nieuwe werkgever te vinden of een beroepsbezigheid als zelfstandige te ontplooiien".¹
***
De werkgever betaalt de outplacement diensten.
Vele werkgevers bieden reeds outplacement aan bij individueel of collectief ontslag . Meestal gaat het dan om op dienstverlening op maat, geïndividualiseerd, verleend door een team specialisten. De duur van de begeleiding en de kostprijs ervan variëren naargelang van de intensiteit van de dienstverlening en het profiel van de te begeleiden kandidaat. Vaak wordt een percentage van het brutojaarloon aangerekend [bv 10 à 15 % voor een intense begeleiding gedurende twee jaar voor een ex-kaderlid].
De outplacement die wordt voorzien op basis van de regelgeving van CAO nr 82 is veel beperkter, zowel in duurtijd, intensiteit van de begeleiding als kostprijs. Het gaat immers om een begeleiding van 20 uur tijdens een periode van 2 maand . In geval van mislukking wordt de begeleiding op verzoek van de werknemer verdergezet ten belope van 20 uur ditmaal 4 maanden . Een laatste begeleiding van 20 uur ditmaal versporeid over 6 maand kan aangevraagd worden.
In ieder geval is de begeleiding beperkt tot een periode van 12 maand.
Afwijkingen van de CAO nr 82 afgesloten in de Nationale Arbeidsraad zijn mogelijk qua duur en formaliteiten van aanvraag. Ook kan afgeweken worden van de tenlasteneming van de kostprijs door de werkgever en binnen een paritaur comité bepaald worden dat de kostprijs collectief ten laste wordt genomen.
Af te wachten wat er op dit gebied nog zal gereglementeerd worden.
Naast "openbare " zullen ook "private" gespecialiseerde dienstverleners deze dienst in hun pakket kunnen opnemen. De kostprijs ervan ligt lager dan bij individuele dienstverlening op maat.
***
Belangrijk om weten is dat outplacement zoals voorzien door de CAO nr 82 niet automatisch wordt toegekend. Het initiatief ligt dus bij de werknemer.
Indien de werkgever op de vraag ingaat maakt hij een concreet voorstel over waarop de werknemer zijn instemming laat kennen. Als een valabel aanbod wordt geweigerd verliest de werknemer het recht op de begeleiding.
Al deze formaliteiten zijn te vervullen binnen bepaalde wettelijk voorziene termijnen en volgens wettelijk opgelegde vormvereisten.
De procedure is dan ook om zijn minst omslachtig te noemen.
De vraag stelt zich of dan ook niet juist deze werknemers die het meeste baat hebben bij een ernstige outplacementbegeleiding niet op de hoogte zullen zijn van hun recht of er tegen op zullen zien het aan te vragen. Een belangrijke rol voor de diverse (juridische) dienstverleners die geconfronteerd worden met ontslag, ligt hier weggelegd.
En wat als de werkgever weigert om op de vraag tot ouplacement in te gaan? Een sanctie is voorzien voor de werkgevers die outplacement weigeren, nl een biijdrage storten aan een fonds binnen de Federale Overheidsdienst Tewerkstelling en Sociaal overleg, en met name een bijdrage van 1.500 euro.
¹ Bron: metagids website van de Belgische overheid (arbeid en twerkstelling) verbo outplacement.
Top
Terug
|
 |
|